| Exameneisen |
|
Basiskennis Export
Het examen Basiskennis Export omvat de volgende gebieden:
Het examen wordt door middel van multiple choice vragen en mogelijk een paar open vragen afgenomen. Het examen Basiskennis export is geschikt voor al diegenen die in hun dagelijkse werkzaamheden regelmatig met export te maken hebben en graag als volwaardige gesprekspartner willen optreden. Geslaagden hebben inzicht verkregen in de basisbeginselen van de internationale handel en met een groot aantal gebruikte begrippen. Exameneisen Basiskennis Export
1. Internationale Handel De kandidaat 1.1 kan een beschrijving geven van de factoren, die essentieel zijn voor het ontstaan van internationale handel. 1.2 kan uit zichzelf de begrippen export en import met behulp van voorbeelden omschrijven. 1.3 kan de voorwaarden waaraan moet worden voldaan, wil er handel tussen landen plaatsvinden, noemen. 1.4 kan in eigen woorden aangeven wat met "betalingsbalans" wordt bedoeld. 1.5 kan de deelbalansen van de betalingsbalans benoemen. 1.6 kan de kenmerkende verschillen tussen vormen van internationale samenwerking op economisch terrein tussen landen beschrijven. 1.7 kan de consequenties van de diverse vormen van samenwerking tussen landen op economisch terrein voor de praktijk van de export aangeven. 1.8 kan doel, functie en samenstelling van internationale organisaties op economisch gebied aangeven. 1.9 kan instanties (overheid of particulier) die zich inzetten voor de Nederlandse exportbevordering opnoemen. 1.10 kan de handelspolitieke consequenties van mogelijke exportlanden en -gebieden voor Nederlandse exportondernemingen aangeven. 1.11 heeft kennis van actuele ontwikkelingen met betrekking tot de Euro. 1.12 heeft kennis van actuele ontwikkelingen op economisch gebied in het algemeen. 2. Exportmarketing De kandidaat kan 2.1 een omschrijving geven van de begrippen marketing, marketingconcept en marketingfunctie. 2.2 de motivaties vanuit een bedrijf om te exporteren opsommen en toepassen. 2.3 aangeven aan welke eisen de organisatie van een bedrijf moet voldoen voordat tot export kan worden overgegaan. 2.4 het begrip SWOT-analyse omschrijven en toepassen in voorbeelden. 2.5 de beheersbare en niet-beheersbare factoren bij exportmarketing opsommen en toepassen in voorbeelden. 2.6 de elementen benoemen welke in een exportplan aan de orde dienen te komen. 2.7 de elementen van de marketingmix en de exportmarketingmix omschrijven en toepassen. 2.8 het begrip marktsegmentatie omschrijven. 2.9 de distributiekanalen bij export aangeven en toepassen in voorbeelden. 2.10 functie en doeleinden van marktonderzoek onderscheiden. 2.11 een beschrijving geven van de hoofdvormen van (export)marktonderzoek. 2.12 methoden en technieken voor het toepassen van de elementen van de internationale communicatiemix aangeven. 2.13 de verschillende methoden die gebruikt worden voor de vaststelling van het (export)promotiebudget opsommen en toepassen in voorbeelden. 2.14 de verschillende vormen van communicatiemiddelen in het kader van promotie bij export benoemen en toepassen in voorbeelden. 2.15 de voor- en nadelen van de toepassing van communicatiemiddelen in het kader van promotie bij export aangeven. 3. Buitenlands betalingsverkeer De kandidaat 3.1 heeft kennis van de verschillende betalingsvoorwaarden. 3.2 heeft kennis van de betalingswijzen bij internationale handel en kan deze in voorbeelden toepassen. 3.3 heeft kennis van de betalingsrisico's voor een onderneming in het algemeen en in het bijzonder bij export. 3.4 kan een opsomming geven van de mogelijkheden tot het beperken van betalingsrisico’s en kan de desbetreffende begrippen omschrijven. 3.5 kan de begrippen afnemers- en leverancierskrediet omschrijven. 3.6 kan het begrip regres omschrijven 3.7 heeft kennis van het L/C. 3.8 heeft kennis van de wissel en cheque 3.9 kan de functie en rol van exportkredietverzekering aangeven. 3.10 kan het begrip factoor omschrijven. 4. Internationaal transport De kandidaat 4.1 kan een opsomming geven van de verschillende vormen van transport. 4.2 kan aangeven welk document bij welke vorm van transport gebruikt wordt en wat de status van dat document is. 4.3 kan een omschrijving geven van het begrip Incoterms. 4.4 kan de Incoterms groeperen en karakteriseren. 4.5 kan de Incoterms toepassen in voorbeelden. 4.6 kan doel en functie van de verschillende transportverzekeringsvormen aangeven. 4.7 kan de begrippen die samenhangen met de verschillende transportverzekeringsvormen omschrijven en toepassen in voorbeelden. 4.8 kan aangeven welke tussenpersonen een rol spelen bij internationaal transport en wat hun rol is. 5. Commerciële administratie De kandidaat 5.1 kan de kenmerkende verschillen tussen de diverse soorten offertes beschrijven. 5.2 kan de functies van de proforma factuur aangeven. 5.3 kan de functies van de factuur bij exporttransacties aangeven. 5.4 kan de betekenis van de Kamers van Koophandel in verband met exportdocumenten aangeven. 5.5 heeft kennis van de verschillende vormen oorsprongsverklaringen. 5.6 heeft kennis van de eisen waaraan oorsprongsbewijzen moeten voldoen. 5.7 weet wat het ATA-carnet inhoudt. 5.8 kan doel en functie aangeven van de documenten voor export naar EU- en niet-EU-landen geven. 6. Douane De kandidaat 6.1 heeft kennis van de taken van de douane. 6.2 kan het begrip communautair douanevervoer omschrijven. 6.3 kan het begrip TIR-overeenkomst omschrijven. 6.4 kan het verschil tussen een T1- en T2-document aangeven. 6.5 kan het verband tussen de douane en het Enig Document aangeven. 6.6 heeft kennis van douane-entrepots. 6.7 heeft kennis van de begrippen actieve en passieve veredeling. 6.8 Heeft kennis van de begrippen tarifaire en non-tarifaire maatregelen en kan deze toepassen in voorbeelden. 7. Juridische aspecten De kandidaat 7.1 heeft kennis van de totstandkoming van een overeenkomst in juridische zin. 7.2 kan het begrip algemene voorwaarden omschrijven en weet welke punten hierin aan de orde moeten/kunnen komen. 7.3 kan aangeven het belang van algemene voorwaarden bij exporttransacties. 7.4 kan het begrip arbitrage omschrijven. 8. Exportkostprijs en exportverkoopprijs De kandidaat 8.1 heeft een goede algemene rekenvaardigheid 8.2 kan rekenen met vreemde valuta 8.3 kan de exportverkoopprijs berekenen met toepassing van de Incoterm-condities 9. Taalvaardigheid Engels De kandidaat 9.1 heeft kennis van de meest gebruikte handelstermen in de Engelse taal. 9.2 kan met cliënten in het Engels corresponderen. 9.3 kan een Engelse tekst lezen en begrijpen. |

